Haring
Wetenschappelijk I Clupea harengus
Engels I Herring
Frans I Hareng
Duits I Hering
Spaans I Arenque
Italiaans I Aringa
Uiterlijk

Kenmerkend zijn het zijdelings samengedrukt lijf en de ronde buik (anders dan bij het geslacht Alosa). De onderkaak steekt vooruit en de bovenlip is niet gespleten. Aan de onderkant van de staartvin zitten geen schubben. De rug is donker van kleur, met een groene en blauwige glans, de zijkanten zijn lichter en de buik is zilverwit. De kieuwdeksels en de flanken kunnen een gouden schittering vertonen.

Voorkomen

De haring is zowat overal present in het Noordoost -Atlantische gebied: vanaf de Golf van Gascogne tot het Noorse Spitsbergen. Bijna 2 miljoen haring wordt thans per jaar in het Noordoost-Atlantisch gebied aangevoerd. De Denen spannen hierbij de kroon. Van in de middeleeuwen tot in de jaren 1960 was haring één van de commercieel belangrijkste vissoorten aan de Vlaamse kust.

Paaitijd

Haringen komen naar de kust om te paaien (de voornaamste paaigronden liggen voor de kust van Noorwegen). De paaitijd valt in maart en april. De eitjes worden gelegd op een zanderige of kleiachtige bodem, op een diepte van130 - 250 m en bij een temperatuur van 4 - 7º C. Na 2 - 3 weken komen de eitjes uit. Na het paaien gaan de volwassen vissen terug naar open zee. De eitjes en de pootvissen zijn pelagisch (in diepzee levend) en worden door de zeestromen meegevoerd, ver van de plaats waar het legsel uitkomt. In de eerstvolgende herfst keren de jonge haringen, die dan 4 - 6 cm lang zijn, terug naar de kust. Behalve de haringen die in het voorjaar paaien, zijn er ook rassen die in het najaar kuitschieten, ver van de kust, op zandplaten.

Meer info

Haring is rijk aan visolie en hierdoor is deze vis aan de matig vette kant. Belangrijk is echter dat de visolie rijk is aan 'goede' vetzuren, dit zijn vetzuren die een gunstige invloed hebben op de cholesterolspiegel en de hart-en bloedvaten.